Wanneer is een schuld onhoudbaar?
Een schuld wordt onhoudbaar genoemd wanneer een land te weinig
inkomsten heeft om zijn schulden af te lossen. De meest gebruikte
definitie daarbij is dat een schuld onhoudbaar is wanneer 150 procent
of meer van de exportinkomsten van een land aangewend worden voor het
afbetalen van externe schulden.
In recente jaren
heeft de aanpak van schuldenproblemen van ontwikkelingslanden gestalte
gekregen door het Heavely Indepted Poor Countries Initiative (HIPC) en
het Multilateral Debt Relief Initiative (MDRI). Deze initiatieven
kwamen mede tot stand onder druk van de publieke opinie en de aandacht
die de internationale Jubilee-campagne voor de schuldenproblematiek
genereerde.
Ook op bilateraal niveau - in de zogenaamde Paris Club - en op
commercieel niveau - in de London Club - zijn kwijtscheldingen en
herstructureringen van onhoudbare schulden ter hand genomen. De
bilaterale schulden die ontwikkelingslanden bij Nederland hebben
uitstaan bestaan momenteel volledig uit zogenaamde
exportkredietschulden.
Een groot deel van de schulden aan de WB en het IMF die in het HIPC en
MDRI-proces kwijtgescholden worden zijn ontstaan aan het einde van de
jaren 1980. Toen sprongen de multilaterale instellingen landen bij die
getroffen waren door de schuldencrisis van die jaren. Terugkijkend was
een duidelijk begrensde afschrijving van onhoudbare schulden of een
schenking toen goedkoper geweest, dan de uiteindelijke
kwijtscheldingstrajecten die later in gang zijn gezet.
Daarnaast is de kwijtschelding niet voldoende substantieel gebleken.
Zoals uit onderstaande afbeelding blijkt zou vier keer zoveel
kwijtgescholden moeten worden om ontwikkelingslanden in staat te
stellen noodzakelijke basisvoorzieningen te leveren. Ter vergelijking,
het noodzakelijke bedrag (US$300 miljard) is kleiner dan het bedrag dat
de Amerikaanse overheid in de redding van AIG en Fannie Mae &
Freddie Mac (US$370 miljard) heeft gestoken. Het benodigde US$300
miljard is even groot als de kapitaalinjecties die Nederland in de
afgelopen crisis in de financiële sector heeft gestopt.
Maar niet alleen de houdbaarheid van schulden speelt volgens Jubilee
Nederland een rol bij de vraag of openstaande schulden kwijtgescholden
moeten worden of niet. Een groot gedeelte van openstaande schulden is
illegitiem of onwettig. Voorbeelden van illegitieme schulden zijn
leningen aan dictators als Saddam Hoessein in Irak en Mobutu in
Zaire/Congo.
De econoom Alexander Sack ontwikkelde in 1927 een van de meest
voorkomende definities van illegitieme schulden. Het omvat leningen:
-
Die niet ten bate komen van de bevolking van het land;
- Waar de mensen van het land niet mee hebben ingestemd, en;
- Waar de schuldeiser zich bewust was, of had moeten zijn, van beide.
Kenmerkend voor de substantiële doch bescheiden, vooruitgang die sinds
1996 door middel van HIPC en MDRI is geboekt op het gebied van
schuldverlichting van ontwikkelingslanden, is dat al deze processen
door crediteuren geleid zijn. Zowel de Wereldbank en het IMF, als de
Paris Club en London Club (respectievelijk de clubs van bilaterale en
private crediteuren) worden gedomineerd, of bestaan uit donoren en
crediteuren. Ook wordt in deze fora niet gekeken onder welke
omstandigheden een schuld tot stand is gekomen. Volgens Jubilee
Nederland moet hierin verandering gebracht worden. Ook debiteuren
moeten een rol krijgen in het oplossen van schuldenproblemen en
crediteuren moeten aangesproken worden op hún verantwoordelijkheden.
Daarnaast is het nog altijd mogelijk dat landen in schuldproblemen
komen. Ondanks de doorgemaakte economische groei in het voorbije
decennium zijn schulden- en financieringsproblemen aan de orde van de
dag en als gevolg van de financiëe crisis ook verergerd. Begin 2010
verkeerden volgens het IMF 16 Low Income Countries (LIC's) in high
risk of debt distress en verkeerden 11 landen in een schuldencrisis.
Ook dichter bij huis manifesteren de schuldenproblemen zich, zoals
bijvoorbeeld in Griekenland en IJsland.